Defensiebeleid (Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid)

Twee Europese tanks rijden op een bospad

De Europese Unie is al enkele decennia bezig om een samenhangend Europees defensiebeleid op te stellen. Vroeger ging het bij defensie in Europa vooral om het verdediging van het eigen land tegen een invaller. Dit veranderde na het einde van de Koude Oorlog. Tegenwoordig zijn militaire operaties vaker bedoeld om vrede te bewaren, of om te helpen bij de opbouw van een land dat is verwoest door (interne) conflicten. Door deze veranderingen is het defensiebeleid in Europa continu in ontwikkeling.

De Europese Unie heeft geen gemeenschappelijk leger. De militaire verdediging van veel lidstaten van de Europese Unie en enkele kandidaat-lidstaten wordt, behalve door hun eigen nationale leger, gegarandeerd door de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO). De laatste jaren gaan er geluiden op dat er een defensiemacht onder commando van de EU moet komen. De EU-leiders schaarden zich in december 2016 achter het voorstel van de Europese Commissie om een Europees defensiefonds op te richten. Op de Europese top van 22 juni 2017 gaven de EU-leiders unaniem groen licht voor meer systematische samenwerking op defensiegebied.

Ondanks deze geluiden is er geen overeenstemming bereikt over een Europese defensiemacht. De lidstaten kwamen de afgelopen jaren wel overeen dat er meer samengewerkt moet worden op het gebied van defensie-innovatie, zoals de bouw van drones en bij de ontwikkeling van systemen die cybercriminaliteit kunnen voorkomen.

1.

Staand beleid

Budget

Bij defensie spelen sterke nationale belangen; veel lidstaten hebben een eigen defensie-industrie. De defensie-industrie valt buiten de regels van de interne markt. Om kosten te drukken en om de samenwerking tussen alle verschillende landen met hun systemen te vergemakkelijken wordt sinds 2007 er meer samengewerkt bij het ontwikkelen van nieuwe wapentechnologieën.

In 2018 is een plan van de Europese Commissie voor een Europees defensiefonds goedgekeurd door het Europees Parlement en de Raad van Ministers. Doel van dit fonds is om lidstaten te helpen om hun defensie-uitgaven doelmatiger te besteden, de veiligheid van de Europese burger te verhogen, en het investeren in onderzoek en ontwikkeling van defensiemateriaal.

Het defensiefonds bestaat uit twee onderdelen. Het eerste deel is gericht op de ondersteuning van onderzoek. In de periode van 2017 tot 2019 wordt daar 90 miljoen euro in geïnvesteerd. Het andere deel is gericht op de ontwikkeling van capaciteiten voor defensie. In de periode 2019-2020 is daarvoor 500 miljoen euro beschikbaar gesteld. Ook moet het programma ervoor zorgen dat er meer geld beschikbaar komt voor defensiesamenwerking, bijvoorbeeld voor PESCO.

Doelstellingen

Het defensiebeleid van de EU heeft een drietal strategische doelstellingen geformuleerd, te weten:

  • reageren op externe conflicten en crises
  • opbouwen van capaciteiten van de partners
  • beschermen van de EU en haar burgers

Dit betekent concreet dat militairen in Europees verband worden ingezet op de volgende manieren:

  • humanitaire en evacuatiemissies
  • missies met het oog op conflictpreventie en vredeshandhaving
  • crisisbeheersingsmissies van strijdkrachten
  • gezamenlijke ontwapeningsacties
  • advies en bijstand op militair gebied
  • stabiliseringoperaties na afloop van conflicten

Het huidige defensiebeleid

Met het in werking treden van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB) vervangen door het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB). De voornaamste vernieuwingen hiervan zijn dat het GVDB zich dient te richten op het geleidelijk tot stand brengen van een gemeenschappelijke Europese defensie. Bij het Europese defensiebeleid speelt de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) een belangrijke rol als coördinator van alle externe betrekkingen van de EU.

Sinds 2007 heeft de Europese Unie 'Battlegroups' ingesteld. Dit zijn internationale interventieteams, die binnen tien dagen overal ter wereld ingezet moeten kunnen worden. Een gemiddelde 'Battlegroup' heeft een grootte van 1.500 tot 2.000 soldaten. De samenstelling van deze Battlegroups wisselt om het half jaar of jaar. Nederland heeft sinds 2007 regelmatig een bijdrage aan een Battlegroup geleverd. In de eerste helft van 2018 leidde Nederland een Battlegroup.

Om het defensiebeleid sterker en effectiever te maken is in 2016 door de Raad van de Europese Unie het Mission Support Platform (MSP) in het leven geroepen. Het MSP moet het bestuur van het defensiebeleid gaan verbeteren en voor de ontwikkeling en effectieve begeleiding van civiele crisisbeheersingsmissies gaan zorgen. De MSP zal worden gevestigd in coördinatie tussen de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden.

Een lidstaat die wordt aangevallen mag een beroep doen op de andere lidstaten om hulp en bijstand te verlenen, zo staat het in artikel 42 lid 7 van het Verdrag Europese Unie. Er wordt niet gespecificeerd om wat voor soort hulp het dan gaat, wel wordt gesproken over 'met alle middelen waarover zij beschikken'. Op 17 november 2015 deed Frankrijk, na de aanslagen in Parijs, als eerste lidstaat ooit een beroep op deze bepaling. De andere lidstaten steunden Frankrijk unaniem.

Verdere Europese samenwerking

Tijdens de Balkanoorlogen (1990-1995) werd duidelijk dat de Europese Unie niet genoeg militaire capaciteiten had om als vredesmacht op te treden. Om meer capaciteit en eensgezindheid op Europees niveau te creëren werd in het Verdrag van Lissabon van 2009 de functie van Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheid in het leven geroepen. De Hoge Vertegenwoordiger is samen met de voorzitter van de Europese Raad het Europese aanspreekpunt op het gebied van veiligheid en defensie.

Hoewel er na het Verdrag een machtsstrijd ontstond tussen de lidstaten over wie welke invloed zou krijgen over het buitenlands beleid, en ook het gezag van de Hoge Vertegenwoordiger niet altijd onbetwist bleef, slaagde de EU er in 2017 toch in om verschillende defensieprojecten te lanceren. Met de permanente structurele samenwerking (PESCO) is er de mogelijkheid voor lidstaten om nauwer samen te werken op het gebied van defensie. Ook werd in 2018 de samenwerking met de NAVO uitgebreid.

Meerdere malen is er gepleit voor de oprichting van een Europees leger. Commissievoorzitter Juncker deed dit in 2015 naar aanleiding was de Russische annexatie van de Krim, die volgens hem de zwakte van het Europees buitenlands- en veiligheidsbeleid bloot legde. Met een eigen leger zou de EU laten zien dat het de verdediging van haar waarden serieus neemt. Ook Duitse bondskanselier Merkel pleitte hier in 2018 voor, maar tot nu toe is de meerderheid van de lidstaten niet enthousiast over een dergelijk plan.

In het Europees defensiebeleid worden momenteel echter stappen genomen die verdere Europese samenwerking op militair gebied bewerkstelligen, zoals:

  • De oprichting en uitbreiding van PESCO. Aan PESCO doen 25 eu-lidstaten mee en zij werken gezamenlijk aan tientallen militaire projecten.
  • De EU-lidstaten trekken in de NAVO gezamenlijk op en de EU wordt sinds 2017 steeds meer gebruikt als instrument om zaken binnen de NAVO voor elkaar te krijgen, zoals op het gebied van cyberveiligheid en terrorismebestrijding.
  • In het grensoverschrijdend crisisbeheer krijgt de EU een steeds grotere rol.

NAVO

De Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO) is sinds 1949 het belangrijkste bondgenootschap dat zorgt voor vrede en veiligheid in West-Europa. Het regelt de wederzijdse verdediging en samenwerking van de legers van de leden. Naast de Europese landen maken de Verenigde Staten, Canada en Turkije deel uit van de NAVO.

Vanaf 2003 beschikt de NAVO over een snelle reactie-eenheid (NATO Response Force) die wereldwijd inzetbaar is. Naar aanleiding van de Russische agressie tijdens de Oekraïne-crisis besloot de NAVO in september 2014, tijdens de top in Wales, tot het oprichten van een Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) binnen de NRF. Deze troepen zouden de speerpunt moeten vormen en zo de rol van de NRF vergroten. Hiermee zou met name de verontruste bondgenoten in het oosten gerustgesteld moeten worden. Voor de testfase stelde Nederland ongeveer tweehonderd militairen ter beschikking.

Het Eurokorps is een grote, permanente defensiemacht van zes Europese landen, waaronder Nederland, die zowel binnen de samenwerking in de NAVO als in de Europese Unie een plek heeft. Het Eurokorps wordt vooral ingezet voor humanitaire en vredesoperaties, maar zal ook optreden om het NAVO-grondgebied te verdedigen.

In 2016 is er besloten dat de EU op een aantal terreinen intensiever gaat samenwerken met de VS, Canada en Turkije in NAVO-verband. De samenwerking zal worden verdiept op het gebied van illegale immigratie, defensie, cyber veiligheid en onderzoek.

2.

Mijlpalen

  • Oprichting West Europese Unie (WEU) 1948

    Deze Europese samenwerkingsorganisatie voor defensie en veiligheid bestond van 1948 tot juni 2011. Het in 1948 gesloten Verdrag van Brussel verplichtte de lidstaten van de West-Europese Unie (WEU) ertoe elkaar bijstand te verlenen bij een aanval op hun grondgebied.

  • Oprichting NAVO in 1949

    De Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO) werd in 1949 opgericht met als doel de veiligheid en vrijheid van de aangesloten landen te garanderen en wereldwijd stabiliteit te bevorderen.

  • Oprichting OVSE in 1973

    De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE; in het Engels OSCE) is een politieke organisatie van circa 55 landen in Europa, Centraal-Azië en Noord-Amerika, die zich sinds 1973 bezighoudt met samenwerking op het gebied van defensie, economie en humanitair beleid.

  • Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie houdt in dat geleidelijk een gemeenschappelijk defensiebeleid wordt vastgesteld, waaruit op termijn een gemeenschappelijke defensie zou kunnen ontstaan. In het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) wordt gestreefd naar een ontwikkeling van de civiele en militaire capaciteit van de Unie op het gebied van conflictpreventie en crisisbeheersing op internationaal niveau om zo, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, bij te dragen tot de handhaving van de internationale vrede en veiligheid. Het EVDB wordt in samenhang en coördinatie met de NAVO ontwikkeld en betekent niet dat er een Europees leger wordt opgericht.

  • Verdrag van Lissabon

    Op 1 december 2009 is het Verdrag van Lissabon in werking getreden. Hiermee kwam een einde aan een lang hervormingsproces. Het verdrag is er op gericht de Europese Unie beter bestuurbaar en democratischer te maken.

  • Gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) vanaf 2009

    De Europese Unie is al enkele decennia bezig om een samenhangend Europees defensiebeleid op te stellen. Vroeger ging het bij defensie in Europa vooral om het verdediging van het eigen land tegen een invaller. Dit veranderde na het einde van de Koude Oorlog. Tegenwoordig zijn militaire operaties vaker bedoeld om vrede te bewaren, of om te helpen bij de opbouw van een land dat is verwoest door (interne) conflicten. Door deze veranderingen is het defensiebeleid in Europa continu in ontwikkeling.

Lees meer

Bron

Taal

Soort Informatie

NAVO

EN

Officiële homepage

OVSE

EN

Officiële homepage

Europese Unie

NL

Officiële homepage Raad van de Europese Unie

3.

Wie doet wat

Bij de besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad, de Europese Raad een rol. Voor voorstellen voor de uitvoering van het defensiebeleid geldt dat een van de lidstaten van de Europese Unie of de Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid deze opstelt.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini (Italië)

Parlementaire commissie Europees Parlement

Subcommissie veiligheid en defensie

Nederlands lid commissie Europees Parlement

Er zitten geen Nederlandse leden in deze commissie

Raad van de Europese Unie

Raad Buitenlandse Zaken

Nederlandse afvaardiging Raad van Ministers

Ank Bijleveld-Schouten (CDA), minister van Defensie

Invloed nationale parlementen of defensiebeleid

Nationale parlementen van de lidstaten kunnen binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Nederlands orgaan

Verantwoordelijke

Tweede Kamer

Vaste commissie voor Defensie (DEF)

Eerste Kamer

Eerste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO

Betrokken bij uitvoering

 

Betrokken instantie EU/internationaal

Verantwoordelijke

Agentschap

Europees Defensie Agentschap (EDA)

Comité

Het Politiek en Veiligheidscomité (PSC)

Comité

EU Militair Comité (EUMC) en de EU Militaire Staf (EUMS)

Comité

Het Comité voor Civiele Aspecten van Crisisbeheersing (CIVCOM)

Dienst

Dienst Instrumenten buitenlands beleid (FPI)

Dienst

Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO)

4.

Meer informatie

Algemeen overzicht EU

Factsheet Europees Parlement

Wetgevingsoverzicht

Statistieken

Betrokken instanties